| Alternatieve naam | |
|---|---|
| Type | Plaats |
| Locatie | Aalst (Oost-Vlaanderen) |
| Beschermingen | |
| Gebeurtenissen |
|
| Links |
| Datering: | |
|---|---|
| Type: | |
| Stijl: | |
| Trefwoorden: |
Gemeente van 45.241 inw., gelegen aan de Dender, met belangrijke verzorgende functie, tevens wooncentrum voor pendelaars, nl. tewerkstelling in Hofstade, Erembodegem en Brussel. Na Gent het belangrijkste industrieel en commercieel centrum van Oost-Vlaanderen, met o.m. het Wijngaardveld aan de r.-oever van de Dender, als belangrijkste van een drietal industrieterreinen.
Ontstaan op een vanouds bewoonde plaats met prehistorische elementen (naam zelf "al-ust" is jong-prehistorisch, de site Hunnegem aan de Molenbeek), Gallo-Romeinse elementen (artefacten, heirbaan Asse-Gent over de Kerkstraat van 30 A.C.N.-361 P.C.N., "Hof ten Berge" met oude funderingen) en verspreide Merovingische nederzettingen. Eind IX bezaten het kapittel van Kamerijk en de abdij van Lobbes landbouwuitbatingen te Aalst en werd de kapel van de H. Ursmarus van Lobbes door de Noormannen verwoest. Onder Karel de Grote ontstond, naar de bepalingen van de Capitulare de Villis, het Zelhof, een eerste invloedrijke pre-stedelijke kern aan de Dender, wiens groei gestimuleerd werd door de nieuwe landweg Keulen-Brugge. Midden XI richtte de Vlaamse Graaf een burcht op tussen de Dender en de Oude Dender tgov. het Zelhof, als een van de militaire steunpunten voor Rijksvlaanderen. Dit bracht een bloeiende handelseconomie van het Portus aan de Werf met zich mee, terwijl het Zelhof langzaam verviel. Tot dan hoorde Aalst tot de Pagus Bracbatensis en volgde de vertraagde ontwikkeling van de Brabantse steden. De groeiende kern aan de Dender breidde zich uit naar de Grote Markt waarop de oude straten uitliepen (Katte-, Kerk-, Molen-, Zout- en later ook de Nieuwstraat). Begin XII was dit gebied omwald en bezat vijf stadspoorten (Katte-, Molen-, NieuwPont- en Zoutstraatpoorten). De belangrijke bedevaartweg, de latere Kapellestraat, naar de H. Ursmaruskapel buiten de nederzetting, ging door de Kapellepoort. De Graven van Aalst schonken een stadskeure (1160) en kozen de stad als hoofdplaats van de heerlijkheid. Het Schepenhuis, het oudste van de Nederlanden (1225), getuigt van het belang van de stad.
De agglomeratie vertoonde, begin XIII, een driehoekige vorm: basislijn gevormd door de Dender en huidige Onderwijsstraat, twee hoeken aan Werf en Academieplaats (eerste markt, Vismarkt aan de hoofduitgang van de burcht ontstaan) en bovenhoek in de nabijheid van de Grote Markt (oorspronkelijk niet zo centraal gelegen), de Molenstraat verbond de handelsnederzetting van de Werf met de hoofdweg (Kattestraat). In 1241 stonden de Graven van Vlaanderen het Zelhof af om een gasthuis te bouwen, alsmede grond, voor de oprichting van een Vlees- en Graanhalle op de huidige St.-Martensplaats.
In XIV toont de stad een radiaalconcentrisch stratenpatroon rondom de Grote Markt en een behoorlijke versterking (Hoog-, Capucienen- en Sterrevesten, ringmuur met vijfentwintig torens en zes poorten). Twee plattegronden uit midden XVI, nl. van J. Van Deventer en L. Guicciardini (fig. 1), illustreren zeer duidelijk dit stratenpatroon.
Gedurende XV kreeg de stad een nieuw Schepenhuis met Belfort en werd de bouw van de St.-Martinuskerk aangevat. Meermaals woedde de pest (1315, 1485, 1668) en werd de stad getroffen door vernieling, o.m. door de Gentenaars (1380), door de Spaanse (1576) en de Hollandse (1645) troepen, zodat het versterkingsstelsel herhaaldelijk wederopgebouwd werd (1497, 1577, 1628, 1646), tot de Franse maarschalk Turenne het in 1667 liet vernietigen samen met het grootste deel der bebouwing, zodat slechts weinig architectuur van voor die tijd is bewaard gebleven. Dit had geen ernstige stadsuitbreiding tot gevolg.
Gedurende XVIII werd de baan Brussel-Aalst-Gent aangelegd en de Dender gedeeltelijk gekanaliseerd. De vesten werden verder afgevoerd zodat Aalst een open stad werd. O.m. de Karmelietenvest en de Molenstraat werden bebouwd. Door de afbraak van een groot aantal kloosters na de Franse revolutie ontstonden grote pleinen binnen de mazen van de radiaalconcentrische aanleg.
In 1830 kwam het huidige stadhuis tot stand, en, in 1836-1841 de eerste geürbaniseerde stadsuitbreiding (o.m. op een deel van de oude omwalling): de Vrijheids-, Vaart-, Zonnestraat, Hoge Vesten en Keizerlijk Plein. Het ontwerp uit eind XVIII voor l.g., naar het voorbeeld van het Koninklijk Plein te Brussel, werd nooit volledig uitgevoerd. Voorts, in 1843, de Esplanadestraat en de Steenweg naar Opwijk (voor afzetgebieden).
Dat in XIX A de nijverheid in Aalst nog geen moderne ontwikkeling kende, was grotendeels te wijten aan een gebrek aan goede verkeerswegen. Verbetering van de bestaande landwegen - en vooral deze van Aalst naar Opwijk, Vilvoorde en Leuven - in de veertiger jaren, kon hieraan slechts in beperkte mate verhelpen.
Pas vanaf 1856 kon de echte industrialisatie beginnen dank zij de spoorlijn Brussel-Aalst-Gent. Station, stationswijk en St.-Jozefkerk kwamen tot stand. De Denderkanalisatie werd voltooid en het spoorwegnet verder uitgebreid (1865). Als nijverheden ontwikkelden zich en ontstonden, in en vlakbij de kern, langsheen de Dender en de spoorlijn: diverse takken van textielnijverheid (met vooral een ontstaan van een breigoednijverheid in XIX B): lederverwerking en schoennijverheid; brouwerijen. mouterijen, stokerijen, enz... Gevolg van deze ontwikkeling was een noodzakelijke uitbouw van de proletariaatshuisvesting, vooral in XIX B. Ook in Aalst ontstonden diverse vormen van binnenblokbebouwing, hier aangeduid met de term "Ingang...".
Pauperisme en harde sociale strijd kenschetsen XIX, met J. Bijl en P. Daens als belangrijke figuren.
Eind XIX uitbouw en urbanisatie van twee wijken; Mijlbeek en Schaarbeek, resp. op de r.-oever van de Dender (ten O.), de gehuchten Hertshage, Wijngaardveld, Bosveld, Poperodendries, Steenberg, Bergemeersen en Overhamme omvattend, en ten W. tegen de stadskern aangedrukt, de gehuchten Schoubroek, Kerrebroek, Osbroek en Paddenhoek omvattend. E.g. wordt nog steeds als een min of meer zelfstandige entiteit beschouwd en wordt hier ook als dusdanig behandeld .
Begin XX kwam de nijverheidswijk te Hofstade langs de Dender tot stand; na de eerste wereldoorlog, nieuwe huizencomplexen, in de richting Gent, verdere urbanisatie met nieuwe lanen, nieuwe bouw van ca. 3.000 woningen na de tweede wereldoorlog en een baancentrum voor vrachtwagens in Aalst O. in midden XX.
Momenteel poogt men d.m.v. een structuurplan een oplossing te vinden voor de problemen van de binnenstad: nl. het voorzien in een evenwichtige ontwikkeling van de verschillende functies en een vlotte verkeerscirculatie.
Als gevolg van de stedebouwkundige ideeën van XX c wordt de stadskern vooral de laatste jaren gezuiverd van de sporen van de industrialisatiebeweging. Behalve enkele uitzonderingen, verhuist de bedrijvigheid naar de nieuwe industrieparken in de omgeving, en de door sloping vrijgekomen ruimten worden met andere bestemmingen bedacht. Ook met de oude typische ingangetjes wordt afgerekend: tijdens de inventarisatie zagen wij meer dan één interessant specimen verdwijnen (o.a. Ingang Borreman, Ingang Van Wayenbergh).
Bron: D'Huyvetter C., de Longie B. & Eeman M. met medewerking van Linters A. 1978: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Aalst, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 5N1 (A-G), Brussel - Gent.