erfgoedobject

Parochiekerk Sint-Laurentius

bouwkundig element
ID
52534
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/52534

Juridische gevolgen

Beschrijving

De Sint-Laurentiuskerk werd gebouwd in 1846-1847 naar ontwerp van provinciaal bouwmeester E. Gife. De toren van 1863-1864 werd ontworpen door provinciaal bouwmeester J. Van Gastel. Herstellings- en restauratiewerken van exterieur en interieur werden uitgevoerd onder leiding van architect L. Sledsens (Geel) eind de jaren 1990.

Het betreft één van de eerste en toen nog schaarse nieuw gebouwde kerken op het platteland in een vroege neogotische stijl uit het tweede kwart van de 19de eeuw in de provincie Antwerpen.

Historiek

Het gehucht Zammel had al vroeg een kapel ter nagedachtenis van de heilige martelaren van Geel. In 1412 zou deze kapel reeds de naam van Sint- Laurentius gedragen hebben.

Uit vermeldingen van fundaties rond het midden van de 15de eeuw kan afgeleid worden dat de kapel een bidkapel was en dat het godsdienstig leven georganiseerd was door twee ‘guberneerders’ of kapelmeesters. De kapel ressorteerde onder de Sint-Amandusparochie van Geel. Naarmate de bevolking van de gehuchten Zammel, Oosterlo, Hazenhout, Watereinde, Blaardonk, Varendonk en Neerstraat aangroeide werd de nood aan een eigen parochiekerk alsmaar groter. De bestaande kerk te Geel lag immers op langer dan een uur van voormelde gehuchten. In 1523 verhief Paus Clemens VII Zammel tot parochie wat door keizer Karel datzelfde jaar werd goedgekeurd, doch niet doorging wegens de hevige tegenwerking van de kerkmeesters van de bestaande Sint-Amanduskerk te Geel. Uiteindelijk kwam in 1536 te Geel-Zammel een parochie tot stand. De locatie van voormelde kapel is -voortgaande op cartografische bronnen- achter en/of naast de pastorie te situeren. Circa 1669 vonden er grote verbouwings- en herstellingswerken plaats aan de kapel. Eind 18de eeuw werd regelmatig verzocht een nieuw kerkgebouw op te trekken wegens de bouwvalligheid van de -bovendien te klein bevonden- kapel. In 1794-1795 werd het gebouw quasi volledig gesloopt met de bedoeling een nieuw bedehuis te bouwen, maar de Franse overheersing dwarsboomde de plannen.

In 1801, toen de godsdienstbeoefening weer werd toegestaan, had Zammel geen kerk meer en werd het schoolgebouw voorlopig gebruikt voor de erediensten. In 1844 leek ook dit gebouw in slechte staat en diende de toenmalige pastoor opnieuw een verzoek in een nieuwe kerk op te richten tegenover de pastorie, op de plaats genaamd ‘de kerckenbosch’. Provinciaal bouwmeester E. Gife werd met een onderzoek belast en maakte vervolgens een ontwerp voor een nieuwe parochiekerk. Dit werd evenwel verworpen door de bestendige deputatie omdat “le projet que vous avez présenté pour la construction ….. n’a pas entièrement répondre a l’attente de la députation permanente qui aurait préféré un plan dans le style gothique qu’elle trouve plus convenables pour les églises”. Een nieuw ontwerp in gotische stijl werd wel aanvaard (ontwerp dateert van 29/1/1845). Eind 1845-begin 1846 werden de werken aanbesteed, half 1846 was de bouw volop aan de gang en in 1847 voltooid. Het nieuwe bedehuis werd op een andere - weliswaar nabijgelegen - plaats dan de voormalige kapel opgetrokken (de laatste restanten van de kapel zouden pas circa 1960 verwijderd zijn).

Volgens de bewaarde plannen was de oorspronkelijke westgevel opgevat als een puntgevel, verticaal geleed door steunberen met puntgevelbekroning, opengewerkt met links en rechts twee kleine spitsboogvensters en centraal een groot spitsboogvenster waarboven een oculus met vierpasmotief; het dak droeg een - volgens M. Stijnen van de voormalige kerk afkomstig - houten klokkentorentje onder naaldspits met bol, kruis en windvaan. In 1849, twee jaar na de inwijding van de kerk door kardinaal Sterckx, werd de vloer van zwarte marmer (Basècles) gelegd. Volgens bepaalde bronnen zou van bij het begin een torenblok voorzien geweest zijn, maar omwille van budgettaire redenen werd de bouw ervan verdaagd. In 1863-1865 werd het bedehuis dan toch uitgebreid met een voorstaande westtoren naar ontwerp van J. Van Gastel (ontwerp dateert van 18/5/1863), ter vervanging van het klokkentorentje. In 1872 werd het koor en hoogaltaar gedecoreerd met polychrome schilderingen door decoratieschilder Joseph Van Aerschot (Herentals); in 1873 volgden het schip, de doopkapel en sacristie; in 1879 werden de twee zijaltaren herschilderd door Modest en August Van Aerschot, twee zonen van Joseph.

Eind de jaren 1990 vonden er grondige herstellings- en restauratiewerken plaats van zowel exterieur als interieur onder leiding van architect L. Sledsens. De polychrome decoratieschilderingen werden gerestaureerd naar bestaand model: dit ging van beperkte herstellingen of bijwerkingen tot volledige vernieuwing (overschildering) naar bestaand model.

Beschrijving

De kerk wordt aan de noord-, oost- en zuidzijde omringd door een met beuk behaagd kerkhof, de westzijde wordt afgesloten met een lage bakstenen muur (heropgebouwd) met ezelsrug. Vooral aan de zuid- en oostkant bevinden zich grafzerken.

De plattegrond ontvouwt een oostwest-georiënteerde éénbeukige kruiskerk met voorstaande westtoren, een schip van vier traveeën waarvan het meest westelijke - van de beuk afgesloten - travee wordt ingenomen door een centraal hoofdportaal met een houten steektrap naar de orgeltribune, ten noorden de doopkapel en ten zuiden een zijportaal, vervolgens een transept van één travee met vlakke sluiting en een koor van één rechte travee met vijfzijdige sluiting, geflankeerd door de sacristie (ten zuiden) en een berging (ten noorden). Leien (afgewolfde) zadeldaken, boven de koorsluiting met smeedijzeren kruis.

Exterieur

Het betreft een bBaksteenbouw met summiere verwerking van blauwe hardsteen voor de lekdrempels en dekstenen, van zandsteen voor de afzaat van de plint, de anders uitgewerkte steunberen van de twee meest westelijke traveeën en de decoratieve uitwerking van het torenblok. De gevels worden geritmeerd door spitsboogvensters en versneden steunberen, de steunberen van de twee meest westelijke traveeën met een puntgevelvormige beëindiging, de andere met een deksteen. Verder is het gebouw voorzien van een omlopende bakstenen tandlijst, heden moeilijk zichtbaar door een later aangebrachte hanggoot, een transept met tuitgevels waarvan geveltop met muurvlechtingen, oculus en schouderstukken op kraagstenen en eenvoudige onomlijste spitsboogvensters met afgeschuinde bakstenen dagkanten en ontlastingsboog; de glasramen zelf en de buitenbeglazing met een identieke vierkante ijzeren verdeling; arduinen lekdrempels met hol profiel. In de westgevel zijn spitsbogige spaarvelden (voorheen vensters?) te zien. Sacristie en berging met korfboogvenster. Berging en zuidelijk zijportaal worden gekenmerkt door een houten korfboogdeur.

De voorstaande westtoren is opgebouwd uit vier geledingen met ingesnoerde naaldspits bekroond met bol, smeedijzeren kruis en windvaan, ter hoogte van de drie eerste geledingen met versneden steunberen. Rijker uitgewerkt volume door decoratieve uitwerking met zandsteen (Rochefort), kordons, dekstenen, lekdrempels, maaswerk en typisch gotische siermotieven (kruisbloem, hogels). Eerste geleding. De houten korfboogpoort is voorzien van een met een heiligenbeeldje (patroonheilige Sint-Laurentius) uitgewerkte middenstijl, beslag en nagelkopdecoratie. De tweede geleding vertoont een groot driedelig spitsboogvenster met afgeschuinde bakstenen dagkanten en dito zandstenen lekdrempel, maaswerk van spitse driepasbogen, driepassen en een veelpas. De muurpartij tussen eerste en tweede geleding is uitgewerkt met een fries van spitse driepasbogen, onderaan met afgeschuinde lekdrempel. Deur, driepasbogen en spitsboogvenster zijn samen gevat in een doorgetrokken bakstenen gevelnis met ontlastingsboog. Zowel de tweede (enkel in zijgevels) als derde geleding is uitgewerkt met gekoppelde spitsbogige gevelnissen, die van de derde geleding met neogotische tracering van zandsteen; uurwerk. Ingesnoerde en rijk uitgewerkte vierde geleding, aan de vier zijden met bekronende puntgevels met aandak en kruisbloem; hogels op de hoeken; gekoppelde galmgaten in een geprofileerde omlijsting bekroond met een gevelnis waarin een vierpas; tussen de galmgaten en op de hoeken slanke zandstenen zuiltjes met kapiteel.

Interieur

Het bepleisterd en polychroom beschilderd interieur wordt gekenmerkt door een tweeledig wandschema en verticale ritmering: elke travee is gevat in een quasi gevelhoge spitsboognis met een hol en met kleur geaccentueerd beloop. Schip, transept en eerste koortravee zijn voorzien van bepleisterde en beschilderde kruisribgewelven, viering met stergewelf en koorsluiting met straalgewelf, alle versierd met sluitstenen; in schip, viering en transept komen de ribben en/of gordelbogen neer op een halfzuiltje met een gepolychromeerd en verguld kapiteel met bladwerkmotief en dekplaat en een polygonaal basement op een hoge dito sokkel. De ribben en gordelbogen van het koor eindigen op per drie gebundelde schalken met gelijkaardig uitgewerkt kapiteel, basement en sokkel. Viering afgezet met spitsbogige scheidingsbogen. Tegen de westmuur van het transept bevinden zich zijaltaren. De vloer in schip, transept, portalen en sacristie werd vernieuwd; de vloer van het koor met afwisselend patroon van zwarte en witte marmeren tegels is heden herlegd met bewaring van de oorspronkelijke zwarte marmeren tegels. De doopkapel heeft nog de oorspronkelijke vloer. Het voorportaal van toren (1863-1865) is voorzien van een kruisribgewelf (met centraal een cirkelvormig luik voor het transport van de klokken) op vier opengewerkte ongeschilderde consoles; wanden half met schijnvoegen gecementeerd en beschilderd, half bepleisterd en beschilderd met links en rechts een korfboognis; deze sluit via een korfboog aan op het volgende travee, een driedelige westpartij, samen met de rest van de kerk geconcipieerd in 1846-1847 en bestaande uit een in het verlengde van de toren gelegen hoofdportaal met ten zuiden een zijportaal en ten noorden de doopkapel. Deze ruimten geven elk apart toegang tot het schip via drie korfboogvormige houten deuren met briefpaneeldecoratie of ajourwerk. Het bepleisterd en beschilderd hoofdportaal is voorzien van een stergewelf met centraal een cirkelvormige luik (klokken), eindigend op korte halfzuiltjes met polygonaal basement op een hoge dito sokkel en bladwerkkapiteel met dekplaat; houten steektrap naar het doksaal. De bepleisterde en beschilderde doopkapel wordt gekenmerkt door een wangewelf op gepolychromeerde kapitelen, analoog uitgewerkt als in de rest van de kerk; rondboognis met schildering van de doop van Christus. Het hoogzaal is door middel van een spitsboog opengewerkt naar het schip, stergewelf met sluitstenen en tevens een luik; rechthoekig uitspringende houten orgeltribune met ajourwerk van vierpassen en visblaasmotieven.

De sacristie en berging zijn toegankelijk via een houten korfboogdeur met briefpaneeldecoratie. De sacristie met bepleisterd en beschilderd kruisribgewelf eindigt op witgeschilderde gelijkaardig als in de rest van de kerk uitgewerkte kapitelen; bewaarde houten sacristiekast en -toog. Berging nog met rode gebakken tegels; deze ruimte wordt grotendeels ingenomen door de verwarmingsketel.

Op de muren en het gewelf bevinden zich neogotische schilderingen, in olieverf of een poederende water- of lijnverf. Deze werden gerestaureerd eind de jaren 1990 door firma Van Loy (Herselt), gaande van beperkte herstellingen of bijwerkingen tot volledige vernieuwing (overschildering) naar bestaand model.

Over heel de kerk ter hoogte van de plint ziet men een omlopende donkergrijze band en ongeveer in het midden van het muurvlak een smalle band met een geschilderd schijntriforium (accenten van goud op een donkerbruine achtergrond). In het schip en transept is een donker benedenregister met donkerbruine steenimitatie met lichte voegen zichtbaar; licht bovenregister met op het muurvlak rond de vensters horizontale banden met biezen van rode, groene of gele streep-, bol- of bladmotiefjes. Alle ribben, gordelbogen en scheidingsbogen zijn beschilderd, meestal lichtgrijs geaccentueerd met gele en rode lijnen.

De westmuur van het transept met de zijaltaren is uitgewerkt met een met gestileerde florale boord omlijste spitsboognis, beschilderd met repetitieve lichtrode sjabloonmotieven tegen een lichtgrijze achtergrond, gescheiden van een effen lichtblauw boogveld door een horizontale band van geometrische motieven.

Het koor is voorzien van een typisch symbolenprogramma refererend aan de eucharistie en de passie. Het binnenvlak van de koorboog is beschilderd met gekrulde bloementakken voorzien van een gestileerd leliemotief waartussen een banderol loopt met Psalmtekst 84 (83). Donkerder fraai beschilderd koor met meer gebruik van goud: in de eerste twee traveeën is het benedenregister gelijkaardig beschilderd als in het schip en transept, de andere drie muurvlakken dragen ter hoogte van het benedenregister repetitieve sjablonen van vierlobbige afwisselend groene en bruine figuren met gestileerde bloem- en bladmotieven waarvan de eerstgenoemde met Christusmonogram IHS; het bovenregister draagt op het muurvlak rond de vensters afwisselend groene en blauwe banden waarop respectievelijk wijnrank- en gestileerde motieven; de muurvlakken buiten de spitsboognis dragen een doorvlochten kruismotief. De koorboog en ribben van het koorgewelf zijn afgelijnd met gestileerd bloem- en bladwerk; de aanzet van de ribben rond de sluitstenen dragen geometrische schilderingen, de gewelfvelden van de koorsluiting met gekrulde bloementakken omlijste doorvlochten driepassen met centraal een voorstelling van het zegevierende Lam Gods, links en rechts hiervan de ‘arma Christi’ onder meer dobbelstenen, het naadloze kleed en nagels, het doek van de Heilige Veronica met de afdruk van het aangezicht van Christus, de doornenkroon. De per drie gebundelde schalken zijn beschilderd met geometrische motieven (de buitenste schalken) of met een vierpas waarin florale en leliemotieven (middelste schalk). Sporadisch zijn sporen van vochtbeschadiging te zien.

Mobilair
  • Drie gepolychromeerde houten neogotische altaren. Hoofdaltaar, 1846, in 1872 geschilderd door J. Van Aerschot: centraal tabernakel (later ingebracht?) en expositietroon met hostiedragende kelk, bekroning met Calvarie, geflankeerd door panelen met schildering van imitatiegordijnen, engelenbeelden op de hoeken, waarvoor telkens drie koperen kandelaars, frontzijde met drie geschilderde taferelen, centraal Christus met de leerlingen van Emmaus aan tafel tussen twee identieke taferelen van telkens twee duiven zich lavend aan de bron des levens, een vaas met gestileerde witte lelies. Zijaltaren, van Onze Lieve Vrouw (noordzijde), 1852, van Sint-Dimpna (zuidzijde), 1853, in 1879 geschilderd door de zonen van J. Van Aerschot: centraal een gepolychromeerd heiligenbeeldje onder een neogotisch uitgewerkte baldakijn met links en rechts geschilderde panelen met taferelen uit het leven van de respectievelijke heilige; beschilderde frontzijde (Lam Gods).
  • Preekstoel, hout, oudere onderdelen (kuip met beelden van de evangelisten, van 1630-31 door E. Verbuecken, Herentals), grondig hersteld/verbouwd onder meer klankbord, trap en een deel van de kuip circa 1847.
  • Twee neogotische biechtstoelen (transept), 1850.
  • Neogotische communiebank, 1854, in vier delen gedemonteerd
  • Neogotisch koorgestoelte, 1868
  • Sacristiekast en -toog, 1868
  • Arduinen doopvont 1875, door J.B. Joostens, koperen deksel door E. Baeyens
  • Interessant orgel, door Henri De Volder, 1849, beperkte wijzigingen/herstellingswerken circa midden 20ste eeuw door G. D’Hondt en mogelijk ook vroeger door J.B. D’Hondt, orgeltribune van 1856.
  • Torenuurwerk van 1876, E. Michiels, Mechelen.
  • Gepolychromeerde houten of plaasteren beelden, 19de eeuw of ouder onder meer Maria met kind, Heilige Laurentius (tweede helft 17de eeuw?), Heilig Hart, Sint-Jozef, Sint-Jan Berchmans. Buiten tegen westmuur van de noordelijke transeptarm: kruisbeeld, gepolychromeerd hout, 19de eeuw. Kruisweg, 1890, plaaster, door Baroni (Antwerpen) en schildering door A. Lunders.
  • Specifiek op maat van het koor (hoofdaltaar) tweedelig ontworpen tapijt met opschrift “gift van de hoogedele gravin Joanna de Merode 1907”, hoogstwaarschijnlijk geweven in de door haar in 1884 gestichte tapijtweverij te Blauberg, heropgericht te Westerlo in 1890 (tot 1940), dat hoofdzakelijk voor religieuze instellingen werkte.
  • Glas-in-loodramen met vierkante ijzeren verdeling: in schip met doorzichtig ruitvormig in lood gevat glas; in transept en koor met gekleurde en gebrandschilderde glas-in-loodramen door atelier Stalins en Janssens (Antwerpen) en Henrionnet (Brussel, ramen van het eerste koortravee met cirkelmotieven en het centrale raam van de koorsluiting), jaren 1870-1880: ramen van het transept, Sint-Franciscus (noorden) en Sint-Ferdinandus (zuiden); ramen van de koorsluiting, van noord naar zuid Sint-Jozef, Sint-Laurentius, Christus aan het kruis, Sint- Dimpna, Sint-Gerebernus.

Bron: Onroerend Erfgoed, digitaal beschermingsdossier DA002474, Sint-Laurentiuskerk met kerkhof.
Auteurs: De Sadeleer, Sibylle
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: Parochiekerk Sint-Laurentius [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/52534 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.